Auteur van je eigen leven

Joost Beunderman was hoofdauteur van het ‘Compendium for the Civic Economy’ (2011), een verzameling van 25 internationale voorbeelden die laten zien hoe nieuwe manieren van (samen)werken kunnen leiden tot lokale innovatie en een andere, meer duurzame economie. Daarnaast leidt Joost een reeks van onderzoeks-, stedenbouwkundige en wijkvernieuwingsprojecten in Engeland en is ook in Nederland actief op dit gebied.

Persoonlijke aanleiding/drijfveer

‘Eén van mijn drijfveren is die van de, laten we zeggen, ‘ontevreden’ sociaal-geograaf die altijd op zoek is geweest naar nieuwe gereedschappen op de randen van zijn oorspronkelijke vakgebied. Dat wil zeggen, nieuwe methoden om onderzoek te doen en interventies te plegen om de snel veranderende werkelijkheid beter te kunnen begrijpen en om de voor mij urgente maatschappelijke vragen tegemoet te kunnen treden. ‘Ontevreden’ klinkt misschien flauw, maar het is, hopelijk, een productieve modus: natuurlijk staan we op de schouders van reuzen - bestaande kennis en kunde - maar we kunnen, denk ik, nooit voldaan zijn met de begrippenkaders die we hebben, zeker met de vraagstukken die we om ons heen zien. Een falend economisch ontwikkelingsmodel, de zwakte van bestaande instituties, het afkalven van het publieke domein, de structurele uitsluiting van sociaal-economische groepen en de plekken waar ze wonen, de complexe verwachtingen rondom burger-zelforganisatie.
Ik keek altijd al graag over de grenzen van wat mij werd verteld dat het speelveld van de geografie was. Dat zit in mij als persoon, en ik vond daarbij een match met het Londense ontwerp- en strategiebureau 00:/ dat in 2005 begonnen is vanuit een diepe ontevredenheid ten aanzien van de heersende praktijk in architectuur en stedelijke vernieuwing.

Diep in het DNA van ons bureau zit het altijd weer zoeken naar nieuwe interventiepunten, gereedschappen, benaderingen; ‘iets bouwen’ was voor ons altijd slechts één van de oplossingen voor de vragen die op ons pad komen, of die we onszelf stellen. Een kritische vorm van ‘emergence’ – projecten steeds weer opnieuw laten groeien vanuit zowel de macro- als microcontext – is wat we doen. We opereren als ‘lean start-up’ zoals Eric Ries het noemt: een organisatie die in radicaal veranderende omstandigheden iets nieuws probeert op te bouwen door het maken van hypotheses over hoe de context zal reageren op interventies. Trial en error dus. Dat is heel uitdagend: we vertrouwen zelden op routines. Het evidente voordeel is dat ‘de crisis’ daardoor niet als een verassing kwam waar we ons aan moesten aanpassen: het bevestigde ons in onze zoektocht naar alternatieven.

Deze manier van werken beantwoordt zowel aan mijn empirisch gedreven geografeninstinct als aan mijn drang tot actie rondom de thema’s waar ik het meeste om geef: sociale rechtvaardigheid, het publieke domein en de staat van het milieu. De vraag is steeds: welk model van verandering hanteren we om tot betere uitkomsten te komen? Wat is de ‘theory of change’? Hoe testen we of onze aannames over productieve interventies ook kloppen? Bijvoorbeeld: we zien nu veel projecten gebaseerd op tijdelijkheid – een ontzettende rijkdom aan nieuwe energie die we op plekken projecteren, met echte kans om op lange termijn anders te blijven werken. Maar deze ‘in de tussentijd’ benadering is slechts een tactiek: een middel, niet een doel. Zijn we kritisch genoeg in hoe we middel en doel blijven koppelen? De precisie over wat we willen wat dit alles allemaal oplevert ontbreekt te vaak in het debat. Ik zeg wel eens voor de grap dat wat architecten en architectachtigen onderscheidt van andere beroepen (denk aan chemici, de rechtspraak, etcetera) is dat ze wegkomen met mooie verhalen op een manier die andere professies nooit zouden tolereren als cultuur binnen hun vak. Heel onaardig en oneerlijk en onwaar natuurlijk, maar juist in deze tijd is scherpte in hypotheses stellen en kijken hoe het in de praktijk uitwerkt heel belangrijk. Nu praat ik uiteindelijk dus toch weer als een geograaf.’

Persoonlijke ambitie

‘Veel van mijn werk is uiteindelijk gericht op het creëren van situaties waarbinnen we echt recht doen aan het ideaal dat de mens auteur kan zijn van zijn of haar eigen leven, waar sommige van mijn theoretische helden zoals Lefebvre, De Certeau, Amartya Sen en Elinor Ostrom, die vorig jaar overleed, naar zochten. Hoe creëren we positieve vrijheden – of het nou gaat om gezonde grond voor ondernemerschap, het op nieuwe manieren delen van voorzieningen en alledaagse eigendommen middelen, nieuwe vormen van zelforganisatie. We weten hoe organisaties, sociale verhoudingen en zo meer zowel het beste als het slechtste uit de mensen kunnen halen. Hoe bereiken we dat laatste? En hoe doen we dat op een manier die zowel het individuele als het collectieve domein versterkt?'

Opleiding

‘Ik studeerde sociale geografie in Utrecht, met daarbij economische geografie en stadsgeografie. Verder heb ik een tijd aan de University of California in Berkeley gestudeerd en aan de London School of Economics het Cities Programme (City Design en Social Science) gedaan. Ik ben nog steeds binnen die bandbreedtes, in de meest ruime zin, bezig.’

Persoonlijk netwerk

Indy Johar - Hij is één van de twee oprichters van 00:/ en één van de meest kritische en originele systeemdenkers die ik ken, maar ook iemand die uit de enormiteit van de veranderende context heel scherp een reeks interventiepunten kan formuleren, en daarin heel ondernemend is. Mijn werk bij 00:/ krijgt vorm in nauwe samenwerking met hem, en hij zet in sterke mate de toon voor het hele bureau.

Tessy Britton van het kleine bureau ‘Social Spaces’, en één van de drijvende krachten achter de ‘Community Lovers Guides’-boekserie die ook in Nederland storm loopt. Zij is in staat om hele goede settings te creëren om groepen bij elkaar te brengen, waarbinnen andere manieren van doen en denken worden gegenereerd - waarbij ze ook ‘gevestigde spelers’ zoals gemeentes meekrijgt. Door haar manier van opereren lukt het haar het verzet tegen verandering weg te nemen. Dat berust voor een groot deel op generositeit en een speelse, maar scherpe, manier van gevestigde patronen doorbreken, beter gebruik maken van bestaande middelen en het breed inzetten van creativiteit. Veel van haar projecten creëren een tijdelijke microkosmos, waarbinnen waarden en logica van een andere praktijk letterlijk voelbaar worden – wat enorme overtuigingskracht genereert.

Amartya Sen Zijn werk over ‘capabilities’ (positieve vrijheden) is een enorme kracht op de achtergrond in ons werk. Het is natuurlijk riskant om andere inspiratiebronnen zoals Umair Haque (blogger en schrijver van The New Capitalist Manifesto), of Jeanne van Heeswijk (kunstenaar en ondermeer drijvende kracht achter Freehouse in Rotterdam en 2Up2Down in Liverpool) of Richard Sennett op één lijn te stellen met iemand anders, maar op hun eigen manier zijn ze allemaal bezig met de zoektocht naar projecten en structuren die dat soort positieve vrijheden genereren op micro of macro schaal. Dus als ik me tot drie moet beperken dan mag Amartya Sen de paraplurol innemen.’

Persoonlijke referenties

‘Ten eerste alle coöperatieve duurzame energiebedrijven die je nu in NL steeds meer ziet ontstaan. Omdat ze enerzijds natuurlijk bijdragen aan de oplossing van één van de meest urgente duurzaamheidsvraagstukken en omdat ze anderzijds een ‘nieuw’ democratisch economisch systeem representeren (‘coops’ zijn natuurlijk niet nieuw maar wel bezig met overal herontdekt te worden) dat vaak heel lokaal duurzame waarde genereert en het betere uit mensen naar voren haalt, op heel verschillende manieren. Coöperaties bieden mensen democratisch eigenaarschap en de daaraan verbonden rechten en verantwoordelijkheden en zijn zo dus veel meer dan alleen een ‘technological fix’ voor duurzaamheid.

Ten tweede alle Fablabs. Dat is eigenlijk de nieuwe bibliotheek van de 21ste eeuw: de democratisering van technologie, gezonde grond voor zelfproductie, maar ook voor start-ups en om de passie van studenten en hobbyisten of de tech-dromen van schoolkinderen te doen ontbranden. Een gedeelde infrastructuur die kennis, middelen en praktijk aan elkaar koppelt.

En als derde noem ik Granny’s Finest. Een Rotterdamse stichting die jonge modeontwerpers koppelt aan breiende ouderen: creëert waardevolle producten en in potentie enorme sociale veerkracht door ouderen uit hun isolement te helpen, ze de kans te geven hun kennis en kunde te delen, trots te zijn op wat ze maken. Het is nog een heel pril project, en ik moet me er nog verder in verdiepen, maar die combinatie van preventieve investering (het